Artikel in "Duurzaam bouwen", nr.6 september 2000
Hergebruik loont
Stan Duifhuizen
Andrea van Hooren
Paul van Bergen
Anne Ubbels
Renovatie is niet alleen meestal goedkoper dan nieuwbouw, ook het milieu vaart er beter bij. De TU Delft liet de milieubelasting uitrekenen van een groot renovatieproject voor een van haar faculteiten, en is in haar nopjes met de resultaten.
De auteurs
Stan Duifhuizen en Andrea van Hooren zijn afkomstig uit de 'duurzaamheidshoek' van organisatie- en managementadviesbureau Twynstra Gudde. Paul van Bergen en Anne Ubbels zijn werkzaam bij het bureau dgmr raadgevende ingenieurs. Allen waren zij nauw betrokken bij het beschreven renovatieproject. Het Delftse faculteitcomplex aan de Mekelweg 2 van de ontwerpers Van der Steur en Drexhage is door haar functionele en sobere, streng lineaire (gang)structuur kenmerkend voor de jaren 50. Dat deze architectuuropvatting anno 2000 een perfect uitgangspunt blijkt voor een multifunctioneel, flexibel en duurzaam te gebruiken complex voor onderwijsruimten, kantoren, laboratoria en werkplaatsen, zullen de ontwerpers nooit hebben kunnen vermoeden. Na een eerste levensfase van 45 jaar beginnen de voormalige faculteit voor Werktuigbouwkunde & Maritieme Techniek en de Centrale Werkplaats een tweede leven. De renovatie van dit 70.000 m2 grote complex bewijst dat duurzaam renoveren heel goed kan.
Renovatievariant
Begin jaren '90 wordt duidelijk dat de faculteiten Werktuigbouwkunde & Maritieme Techniek (WbMT) en Industrieel Ontwerpen (IO) zullen worden samengevoegd tot één faculteit: Ontwerp, Constructie en Productie (OCP). Afdeling TU Delft Vastgoed staat dan voor de keuze om de nieuwe faculteit onder te brengen in een nieuw te bouwen gebouw of het voormalige Werktuig & Scheepscontructiegebouw te renoveren. Voornamelijk uit oogpunt van kosten wordt gekozen voor de renovatievariant. Misschien doet de term renovatie wel onrecht aan de metamorfose die het OCP-complex feitelijk ondergaat. Fons Verheijen, namens de architectencombinatie LIAG/Verheijen verantwoordelijk voor het bouwkundig ontwerp, roept enthousiast: "Het intrigeert mij dat je van die oude gebouwen zo veel kunt maken; laboratoriumhallen ombouwen tot atrium, onderwijsruimten of kantoor. Het is niet alleen maar opknappen, eigenlijk is de hele inrichtingsstructuur veranderd!" Er is veel aan gedaan om het aanzicht te behouden en zelfs te versterken. Het gebouw had een fraai vormgegeven entreezijde, met noodtrappenhuizen waarvoor de architect zich door de toren van het museum Boymans van Beuningen liet inspireren. De nieuwe transparante voorgevel zorgt voor een toegankelijker en meer open aanblik. Van de technische installaties wordt vrijwel alles aangepakt. Henk Wissink van Technical Management, verantwoordelijk voor het installatieontwerp, erkent: "De installatietechniek veroudert veel sneller dan bouwkundige onderdelen; in een renovatieproject moet ik de gebouwtechniek eigenlijk altijd volledig vernieuwen." Jeanneke Bruggeling van TU Delft Vastgoed: "Ook vanuit het oogpunt van energiebesparing, en dus kostenbesparing, heeft een volledige vernieuwing van de installaties van meet af aan vastgelegen."
Duurzaam bouwen geïntegreerd
Al bij het opstellen van het Programma van Eisen wordt duurzaam bouwen geïntegreerd in het denk- en ontwerpproces. Tijdens een serie werkbijeenkomsten met vertegenwoordigers van opdrachtgever, architectencombinatie, installatieadviseur, bouwfysisch adviseur, en van gebouwbeheer van de TU Delft en de gebruikersorganisatie, is het ambitieniveau voor duurzaam bouwen bepaald, evenals duidelijke gekwantificeerde doelstellingen. (Toentertijd had TU Vastgoed nog geen vastgelegde visie en richtlijnen met betrekking tot duurzaam bouwen. Die zijn er pas sinds dit voorjaar, zij het nog steeds niet goedgekeurd door het college) Van het samen definiëren van het ambitieniveau voor duurzaam bouwen heeft men tijdens het gehele ontwerp- en bouwproces de vruchten kunnen plukken. Duurzaam bouwen bleek een blijvertje op de agenda van de stuurgroep en de ontwerpgroep. Henk Wissink: "Soms moet ik elementen, bijvoorbeeld radiatoren, vernieuwen die nog goed functioneren, alleen omdat ze er oud uitzien. Duurzaam bouwen is dan een extra argument om deze elementen te behouden." Met een monitoringsrapportage wordt de voortgang van de duurzaam-bouwenmaatregelen per thema gevolgd en worden de doelstellingen bewaakt. Ondanks financiële bezuinigingsrondes zijn uiteindelijk toch nog 76 verschillende duurzaam-bouwenmaatregelen gerealiseerd.
De meest in het oog springende maatregelen verbeteren de energieprestatie sterk. Dit zijn onder meer energie-opslag in de bodem, een verbeterde Rc-waarde van gevels en daken, HR+-glas in de kantoren, hoogfrequentverlichting en daglichtregelingen, warmteterugwinning bij mechanische ventilatie en waar mogelijk natuurlijke ventilatie.
Hardware
Volgens de architecten Fons Verheijen en Steve Lewis is renovatie méér dan een duurzame milieumaatregel: "Je moet niet onderschatten hoe belangrijk het behoud van dergelijke historische hardware is voor de continuïteit van de TU-wijk." Voor opdrachtgever TU vastgoed, die vele herhuisvestingsprojecten heeft, was het belangrijk om te weten of een dergelijk renovatieproject ook daadwerkelijk een bijdrage levert aan het duurzame-huisvestingsbeleid van de TU. Er waren echter geen bruikbare referenties en kengetallen van gerenoveerde onderwijsgebouwen voorhanden. Daarom is besloten de milieubelasting te berekenen van een deel van het OCP-complex en deze te vergelijken met de milieubelasting van een vergelijkbaar nieuwbouwcomplex. Voor deze berekening is gebruik gemaakt van het programma GreenCalc (zie kader). Het doorgerekende deel van het OCP-complex, bouwdeel 10, ligt op de hoek van de Leeghwaterstraat en de Landbergstraat. In het gebouw bevinden zich zowel kantoorachtige ruimten als werkplaatsen, laboratoria en onderwijslokalen. In het hart van bouwdeel 10 ligt een groot atrium. De kelder, begane grond en eerste verdieping zijn het domein van het onderwijs en de studenten. De vakgroepen gebruiken de overige verdiepingen. Het totale bruto vloeroppervlak (bvo) bedraagt 29.500 m2. De reden voor de keuze van bouwdeel 10 is tweeledig. Het heeft verschillende functies, variërend van kantoren tot practicumzalen. Bovendien is de renovatie ervan zo vergevorderd dat alle benodigde kengetallen voor de berekening voorhanden zijn. Voor bouwdeel 10 zijn twee varianten doorgerekend:
- de renovatievariant, waarbij wordt uitgegaan van de renovatie zoals die momenteel wordt uitgevoerd. De renovatie van bouwdeel 10 is ingrijpend. Er worden onder andere vérgaande energiebesparende maatregelen toegepast op bouwkundig, werktuigbouwkundig en elektrotechnisch gebied (zie onderstaande tabel);
- de nieuwbouwvariant, waarbij de milieukosten zijn berekend die zouden ontstaan als het bestaande gebouw wordt vervangen door nieuwbouw (op dezelfde locatie) met eenzelfde Programma van Eisen en volgens de huidige 'state of the art'.
Bouwkundig | Werktuigbouwkundig | Elektrotechnisch |
· Vervangen bestaand glas door HR+-glas · Aanbrengen dak- en buitengevelisolatie · Vervangen bestaande puien door thermisch geïsoleerde nieuwe puien met dubbel glas en te openen ramen · Verbeteren luchtdichtheid · Aanbrengen buitenzonwering · Daglichttoetreding via vides · Vervangen dakbedekking | · Ventilatie d.m.v. natuurlijke toevoer, mechanische afvoer · Warmteterugwinning (WTW) uit ventilatielucht door Twin-coil units · ’s Zomers toepassing nachtventilatie · Toepassing koude-opslag in aquifers · Aanleggen gebouw beheerssysteem (GBS) · Toepassen toerentalregeling bij transportpompen · Toepassen energiezuinige lift · Toepassen centrale warmteopwekking via WKC | · Toepassen lager verlichtingsvermogen · Toepassen HF-verlichting · Toepassen daglicht- / veeg-schakeling |
Uit de berekeningen bleek dat de milieukosten van renovatie ƒ 2.817,00 per m2 bvo bedragen, die van nieuwbouw ƒ 3.242,00 per m2 bvo. Ingrijpende renovatie van bouwdeel 10 bespaart dus 13% op de milieukosten. Renovatie is vergeleken met de nieuwbouwvariant vooral gunstig door de besparing op materialen. Doordat een bestaand gebouw wordt hergebruikt en de draagstructuur behouden blijft, wordt bij de constructie in totaal 53% op materialen bespaard. Voor wat betreft de aspecten water en mobiliteit maakt renovatie of nieuwbouw in dit specifiek project geen verschil. De milieukosten op energiegebied zijn voor renovatie iets (3%) hoger dan bij nieuwbouw, omdat bij nieuwbouw hoogwaardiger kan worden geïsoleerd. Bij nieuwbouw wordt hoogstwaarschijnlijk een geïsoleerde begane grond aangebracht en zijn koudebruggen afwezig. Bij renovatie komt zo'n vloer er niet en blijven koudebruggen bestaan, waardoor de gemiddelde Rc-waarde lager is. Behalve de milieukosten blijken ook de werkelijke investeringskosten van renovatie beduidend lager dan van vergelijkbare nieuwbouw. De investeringskosten voor het gerenoveerde OCP-complex worden geschat op ƒ 1.900,00 per m2 bvo, nieuwbouw van een vergelijkbaar universiteitgebouw komt uit op ƒ 2.700,00 per m2 bvo.
Op basis van de ervaringen met dit project kan geconcludeerd worden, dat het actief en vroegtijdig inbrengen van duurzaamheid in het bouwproces leidt tot een grotere bewustwording van alle betrokken partijen en tot bewustere keuzes voor duurzaam-bouwenmaatregelen. Bovendien blijkt dat ook in een relatief vaststaande uitgangssituatie van een renovatieproject legio duurzaam-bouwenmaatregelen genomen kunnen worden. Goede resultaten zijn met name mogelijk voor de thema's materiaalgebruik, afval, energie en binnenklimaat.
De les voor TU Delft Vastgoed is dat door renovatie grote besparingen zijn te behalen, zowel op financieel gebied als wat betreft de totale milieubelasting. Verder is gebleken dat met een renovatie qua bouwfysica, leefbaarheid en functionaliteit wel degelijk een 'state of the art'-gebouwkwaliteit haalbaar is. En daarnaast levert het behoud van historische en architectonische waarden een extra bijdrage aan de kwaliteit van de omgeving aan de herkenbaarheid en continuïteit van de TU-campus en de omgevingskwaliteit.
TU Delft wilde de herhuisvesting van de faculteit OCP een bijdrage leveren aan een duurzaam huisvestingsbeleid. Zij is daarin geslaagd. Een mooi gebouw is door renovatie behouden gebleven, terwijl bovendien de aanslag op het milieu door bouwen tot een minimum is beperkt. Dat bij renovatie de milieukosten op energiegebied iets hoger zijn dan bij nieuwbouw, wordt door de milieuwinst op materiaalgebied ruimschoots gecompenseerd.
GreenCalc en milieukosten
Met het programma GreenCalc kan de milieubelasting van verschillende gebouwvarianten worden doorgerekend. Dit maakt een objectieve vergelijking mogelijk van duurzame en niet-duurzame oplossingen. Het programma is door Stichting Sureac en dgmr raadgevend ingenieurs ontwikkeld voor de Rijksgebouwendienst. De mate van duurzaam bouwen wordt gemeten door het bepalen van de belasting die het gebouw gedurende zijn bestaansperiode (bouw, exploitatie en sloop) heeft op het milieu. Deze belasting wordt uitgedrukt in guldens, de milieukosten. Anders gezegd: 'milieukosten zijn de kosten die gemaakt zouden moeten worden om de milieuschade die door een materiaalkeuze of oplossing worden veroorzaakt, te kunnen herstellen'. De milieukosten van een nieuw te bouwen gebouw kunnen zodoende worden afgewogen tegen alternatieven, zoals een ander gebouw, een andere locatie of renovatie van een bestaand gebouw.
Partijen
Bij de huisvesting van de faculteit Ontwerp, Constructie en Productie (OCP) van de TU Delft waren de volgende partijen betrokken:
- TU Delft Vastgoed (opdrachtgever)
- organisatie- en managementadviesbureau Twynstra Gudde
- bouwfysisch adviseur dgmr raadgevend adviseurs bv
- architectencombinatie LIAG en Verheijen-Verkoren
-De Haan (bouwkundig ontwerp)
- installatieadviseur Technical Management (installatieontwerp)
Meer informatie is te verkrijgen bij Twynstra Gudde, tel. 033-4677774.
