Stille wegdekken en spoorbanen

- De meetmicrofoons van de CPX rolgeluidemissiemeetaanhangwagen
Stille wegdekken
Voor de reductie van geluidsniveaus moet in eerste instantie gekeken worden naar maatregelen bij de bron. Bij wegverkeerslawaai lijkt de meest ideale maatregel een geluidsarm wegdek. Stille banden moeten op Europese schaal ingevoerd worden en zullen op lokaal niveau vrijwel niet te beïnvloeden zijn. Lokaal zijn er nog wel andere maatregelen te overwegen zoals het weren van (vracht-) verkeer en/of snelheidsverlaging.
Belangrijk bij de ontwikkeling van een stil wegdek is een goede beschrijving van de specificaties van het wegdek. Door geluidsabsorptiemetingen en door metingen in de praktijk kan een akoestische eigenschap van een wegdek vastgelegd worden en eventueel geoptimaliseerd worden. Geluidsabsorptiemetingen worden uitgevoerd met behulp van een interferonmeter en boorkernen, of ter plaatse met een coherentietechniek.
Geluidsemissiemetingen ten behoeve van een specificatie en/of een eventuele optimalisatie van het wegdek kunnen worden uitgevoerd met de Statistical Pass-by methode gedefinieerd volgens ISO. Daarnaast kan een meting worden uitgevoerd met een close-proximity method (CPX). Bij deze methode maakt DGMR gebruik van een eigen rolgeluidemissiemeetaanhangwagen.
De Statistical Pass-by methode is gedefinieerd volgens ISO/DIS 11819-1 "Acoustics-method for measuring the influence of road surfaces on traffic noise - part 1 the Statistical pass-by method". Hierbij wordt de passage van ten minste 100 lichte motorvoertuigen gemeten met behulp van een microfoon op 7.5 m van de rijlijn en op 1.3, 3 of 5 m hoogte boven de weg. Bij deze meetmethode wordt zowel het maximum geluidsniveau, als de meer nauwkeuriger SEL (Sound Exposure Level) bepaald. Over dit laatste kan gesteld worden dat deze ISO-methode al verouderd is.
De close-proximity method (CPX) heeft tot doel om de invloed van de wegdekeigenschappen op verschillende secties van een wegdek te evalueren. Deze methode is beschreven in ISO/CD 11819-2: "Method for measuring the influence of road surfaces on traffic noise - part 2: 'The Close-Proximity method'. DGMR beschikt over een eigen rolgeluidemissiemeetaanhangwagen om dit soort onderzoeken uit te voeren. Als de meetaanhangwagen over het te onderzoeken deel van de weg rijdt, wordt het rolgeluid van een viertal nauwkeurig gespecificeerde referentiebanden gemeten met microfoons die dicht bij het band/wegdekcontactvlak zijn gemonteerd. De verkregen resultaten worden genormaliseerd op standaardsnelheden, behorende bij de categorie van de weg. Deze meetmethode kan uitstekend worden ingezet om wegen te monitoren op geluidsreductie en op de staat van het onderhoud.
De resultaten van de SPB metingen en van de CPX metingen kunnen worden vergeleken in het kader van het bepalen van een wegdekcorrectiefactor Cwegdek.

- Trillingsopnemers op en aan een stalen spoorbrug
Stille spoorbanen / spoorbruggen
Voor de reductie van geluidsniveaus van railvoertuigen moet eveneens in eerste instantie gekeken worden naar maatregelen bij de bron. Bij railvoertuigen komt het er veelal op neer dat hiertoe de spoorconstructies moeten worden verbeterd. Onderhoud van materieel en in het bijzonder het slijpen van wielbanden is essentieel en daardoor bijna vanzelfsprekend.
Voor spoorbanen is het belangrijk dat het loopvlak vlakker en gladder gemaakt moet worden. Meer ruwheid geeft direct meer geluid. Verder kunnen spoorprofielen verbeterd worden en kan het toevoegen van demping aan een spoorstaaf en het aanbrengen van akoestisch absorberend materiaal tussen en naast de spoorstaven overwogen worden. Het systeem waarbij er geluiddempende materialen aan de spoorstaven worden bevestigd, heeft in Rotterdam geleid tot een forse reductie van het booggeluid bij trams. Booggeluid is het gillende of piepende geluid van een tram in een bocht. Ook bij de Haagse Tramweg Maatschappij zijn goede ervaringen opgedaan met het toepassen van raildempende systemen. Een methode om de effectiviteit van geluid- en trillingsdempende materialen te bepalen, is de zogenaamde lengtedempingsmeting. Hierbij wordt de afname van de trillingsenergie per meter spoorstaaf bepaald.
Stalen bruggen en viaducten zijn lawaaimakers. Deze geluidsbronnen worden als een apart geluidsemissietraject in een rekenmodel voor railverkeer ingevoerd. De geluidsemissie van stalen bruggen is over het algemeen hoger dan de geluidsemissie van de sporen op een talud. Het vaststellen van de verhoging ligt binnen het werkgebied van DGMR. De verhoging wordt conform het reken- en meetvoorschriften railverkeerslawaai door een verschilmeting vastgesteld. DGMR heeft meerdere stalen spoorbruggen gemeten, waaronder bruggen in Arnhem, Houten, Nijmegen, ’s-Hertogenbosch, Rotterdam en Zwolle. Tevens is van een flink aantal bruggen trillingsniveaus vastgelegd teneinde maatregelen door te voeren.
